|
Onze Lieve Vrouw van Waddinxveen |
|
|
Voor de reformatie stond het in het O.L.Vrouwepand van de St. Janskerk te Gouda, op of bij een altaar dat geplaatst was aan de eerste pilaar bij het orgel. Het altaar was gefundeerd door en op het graf van Andries Jansz van der Hee, die zich met zijn zoon liet portretteren op de deuren van het tabernakel dat het beeld omsloot. Van der Hee vestigde op een stuk land een rente om voor het beeld eeuwigdurend een lamp te laten branden. Reeds tijdens het verblijf in de St. Janskerk bewerkte het beeld wonderen, zoals de genezing op een donderdag van een kreupele, die voor het beeld zijn krukken liet hangen, en de heling van een blinde en van een melaatse op een zaterdag. Deze genezingen zouden zich omstreeks 1532 hebben afgespeeld. Er was dan ook veel toeloop van mensen naar het O.L. Vrouwebeeld. Toen de hervorming begon en vernieling van de cultusvoorwerpen in de St. Janskerk dreigde, riep de magistraat de eigenaars van beelden op deze in veiligheid te brengen. De ouders van Niesje Jansdochter de Vrie zetten het beeld op zolder, en gedurende tachtig jaar werd aldus het beeld bewaard. Die periode eindigde in 1657 of de laatste dagen van 1656, toen De Jager het beeld op zolder in het huis van Niesje Jans in de Peperstraat terugvond en gedaan wist te krijgen dat zij het aan hem en aan zijn zus Cornelia verkocht. De Jager beriep zich voor zijn gegevens op mondelinge overlevering, zowel via Niesje Jans als via anderen die van horen zeggen zich bewust waren van het wonderdadig karakter van het Mariabeeld. Daarnaast kon hij steunen op de al genoemde geschilderde panelen. Een speciale getuigenis werd afgelegd door enkele duivels die, gepijnigd tijdens een exorcisme waarbij De Jager het herontdekte beeld gebruikte, bijzonderheden meedeelden over genezingen die vroeger hadden plaatsgevonden (zie ook hieronder bij 'Duiveluitdrijving'). Archiefbronnen stellen ons in staat het door De Jager vertelde verhaal te controleren. In grote lijnen blijkt het betrouwbaar maar op details moet de toedracht anders zijn geweest dan De Jager deze voorstelt. Voor het merendeel van de door het beeld bewerkte wonderen is De Jager overigens onze enige bron. De evacuatie van het Mariabeeld uit de St. Janskerk moet zich hebben voorgedaan bij de inbezitneming van die kerk door de calvinisten ten tijde van de Opstand in 1572/3, niet bij de Beeldenstorm van 1566, want die is aan Gouda voorbijgegaan. De twee families die bij de geschiedenis van het beeld betrokken zijn geweest, Van der Hee en De Vrie, behoorden tot de elite van Gouda. Andries Jansz van der Hee was vroedschap van Gouda en bekleedde tussen 1524 en 1548 het ambt van schepen. Zijn zoon Pieter Andriesz van der Hee, die zich eveneens op het al genoemde paneel liet vereeuwigen, bracht het tot schepen van Oudewater. Pieters zuster Marritje was getrouwd met Adriaen Dirksz de Vrie, zoon van een Gouds schepen, die zelf enkele malen het kerkmeestersambt in de St. Janskerk bekleedde. Hun zoon, Jan Adriaensz de Vrie, oefende het beroep van houtkoper uit en was herhaaldelijk schepen en kerkmeester in Gouda.Niesje Jans de Vrie was zijn dochter; omstreeks 1657 woonde zij in het huis genaamd 'De Schaar', Peperstraat 68 (huidige telling). Dit huis was door haar vader in 1578 aangekocht: het verblijf van het beeld op de zolder van het huis kan dus nagenoeg tachtig jaar hebben geduurd. Een lastige vraag is die naar de plek in de St. Janskerk waar het Mariabeeldje heeft gestaan. Volgens De Jager zou het behoord hebben tot het altaar in het O.L. Vrouwepand (het nieuwe noordpand) van de Goudse parochiekerk, waar ook het graf van de familie Van der Hee was gesitueerd. Nu kunnen enkele familiegraven daar inderdaad worden teruggevonden. Maar het altaar in dit pand behoorde toe aan de O.L. Vrouwebroederschap en dankte zijn bestaan niet aan een fundatie door Van der Hee. Het is dan ook aannemelijk dat het Mariabeeld in verband moet worden gebracht met een ander Maria-altaar in de St. Janskerk: dat van O.L.V. 'in het kruiswerk', dat na circa 1500 gewoonlijk het altaar van de 'Blinkende Lieve Vrouwe' wordt genoemd. Kapelaan De Jong legde in 1916 als eerste verband tussen O.L. Vrouw van Waddinxveen en de Goudse Blinkende Lieve Vrouwe. Met de eeuwig brandende lamp die De Jager in samenhang met het Mariabeeld noemt, zou de zilveren lamp bedoeld kunnen zijn die reeds omstreeks 1510 voor dit altaar hing. Er waren rentes apart gezet om deze lamp brandende te houden. De Jager vermeldt nog dat de familie De Vrie in de 17e eeuw moeite deed om een stuk land terug te krijgen waarop een rente voor het bewuste altaar liep maar dat door de Staten van Holland was aangeslagen. Dit wordt bevestigd door een gegeven over inkomsten van het altaar van de Blinkende Zoete Vrouwe waarop de Staten aanspraak maakten. Is deze identificatie juist, dan betreft het een van de oudste altaren in de St. Janskerk. Het bestond al voor het jaar 1400 en deed onder meer dienst als gildealtaar voor de vleeshouwers. De oude naam 'O.L. Vrouw in het Kruiswerk' raakte in onbruik na de grote verbouwing van de St. Janskerk die in 1475 begon en die een andere indeling van de kerk opleverde. Voortaan sprak men van het altaar van de Blinkende Lieve Vrouwe; was dat misschien omdat vanaf deze tijd het altaar werd gesierd door het helder witte beeld dat zich nu nog in de St. Victorkerk van Waddinxveen bevindt? Duiveluitdrijving Kort daarop, in juni 1657, bewees dit zijn wonderdadige kracht aan Margaretha de Wit, die door twee duivelen was bezeten. Zij kon de neerkamer van huize De Jager niet zonder huiver betreden. Dit bracht Cornelis ertoe het beeld te gaan gebruiken bij de belezing, waaraan Margaretha regelmatig werd onderworpen. Dit exorcisme werd blijkbaar beoefend in de schuilkerk die achter de panden aan de Westhaven lag en die onder andere via het huis van De Jager bereikbaar was. De duivels lieten zich niet dan met grote moeite door Cornelis verdrijven. Margaretha bleef bij hun vertrek met een gebroken rib achter. De duivels legden tijdens het exorcisme getuigenis af over de wonderen die het beeld vroeger had gedaan en voorspelden dat er nieuwe mirakelen zouden volgen. Het gerucht van deze spectaculaire duiveluitdrijving verspreidde zich over de stad. De Goudse predikant Sceperus voelde zich geroepen er in zijn Geschenck op geseyde St. Nicolaes avont (1658) aandacht aan te besteden. Hij geeft twee versies van het gebeurde. Volgens de eerste daarvan was Margaretha de Wit bezeten door zeven (of dertien) duivels. Een daarvan sprak volgens het gerucht alleen Latijn. Een van de andere duivelen luisterde naar de naam Pollenburg: hij onderscheidde zich door zijn venijnige laster jegens Maria. Met het verdrijven van deze zeven duivelen legde, aldus Sceperus, De Jager zijn meesterproef als exorcist af. De andere versie van het verhaal die Sceperus optekent rept van drie duivelen, waarvan er een al eerder te Gorinchem was verdreven. Deze versie staat wat dichter bij het verhaal zoals De Jager zelf het vertelt. Van de twee overgebleven duivelen is er een stom. De ander, nu Pol geheten, is niet alleen een talenwonder, maar hij beschikt ook over de gave van helderziendheid, zodat hij aan alle bezoekers en aan Margaretha zelf hun zonden openbaart. Door toedoen van de duivelen breekt de bezetene twee ribben, maar bij de uitdrijving dwingt de exorcist ze tevens de aangerichte schade te herstellen. Opmerkelijk is, dat dominee Sceperus níet van het wonderdadige Mariabeeld
rept: de enige verwijzing naar Maria in zijn relaas is de door Pollenburg
uitgestoten laster. Devotie in Waddinxveen Toen Cornelia als eerste overleed, kwam de uitvoering van deze taak bij Cornelis de Jager te berusten. Om zijn plannen te kunnen uitvoeren stelde De Jager zich ter beschikking van zijn superieuren, die hem een standplaats toewezen. Maar op voorzienige wijze kwam hij tijdens een wandeling met een andere priester te Waddinxveen terecht: zijn metgezel maakte hem duidelijk dat daar een geschikt arbeidsveld voor hem klaar lag. Op Pinksteren 1662 (18 mei) hield De Jager zijn eerste preek aldaar. Enkele weken later, op O.L.Vrouw Visitatie (2 juli) 1662 betrok hij een woning in Waddinxveen. Deze datum wordt indirect bevestigd door een van De Jager onafhankelijke bron: de toestemming door Franciscus Deurwaarders, missionaris van de dominicanen, tot de oprichting te Waddinxveen van een Rozenkransbroederschap. Bijeenkomsten van de katholieken van Waddinxveen op 15 augustus en 8 september werden door de baljuw van Rijnland verstoord. Bij de laatste gelegenheid werd De Jager gevankelijk naar Leiden gevoerd, maar begin oktober was hij weer op zijn post terug. Wel deden deze gebeurtenissen hem besluiten om uit te zien naar een geschiktere plaats om samen te komen, en daarom kocht hij met zijn eigen vermogen een stuk land aan de Goudkade onder Bloemendaal. De koop werd gesloten op 7 december 1662. In maart daaropvolgend werd begonnen met de bouw van de pastorie en de kapel, die eveneens geheel door De Jager werd bekostigd. Maar twee weken later bereikte De Jager het verbod van de kerkelijke autoriteiten om van jurisdictie te veranderen: de toestemming die hij had gekregen gold immers voor Waddinxveen, niet voor Bloemendaal. Deze tegenslag was een maand tevoren aangekondigd door het wonderbaarlijk zweten van het Mariabeeld: dit beeld met directe omgeving, inclusief het beeld van St. Johannes de Doper, was geheel nat, terwijl de rest van de kerk droog bleef. Met deze kerk moet nog steeds de Goudse schuilkerk zijn bedoeld. Overigens vonden behalve dit zweetwonder in deze periode nog twee vergelijkbare wonderen plaats, die De Jager eveneens met ingrijpende persoonlijke belevenissen in verband brengt: zijn gevangenschap te Leiden en het onverwachte overlijden van zijn zuster Aleid. Op de een of andere wijze slaagde De Jager erin de bezwaren van de kerkelijke leiding weg te nemen. De bouw ging definitief door, en zodra de vloer was gelegd vierde De Jager voor het eerst de mis in de nieuwe kerk: op het feest van Maria Rozenkrans (4 oktober 1663). Twee maanden later was ook zijn pastorie gereed. Bedevaart De wonderen die geschiedden werden door De Jager genoteerd op losse strookjes papier of in kleine katerntjes. Als getuige van het wonder treedt hij gewoonlijk zelf op, soms samen met zijn nichtje Margaretha, die bij hem inwoonde als zijn huishoudster. Vermoedelijk moesten deze aantekeningen de basis worden voor een ordelijk aangelegd mirakelboek. Het is onzeker of de door hem aangelegde verzameling compleet is overgeleverd. Een deel van de aantekeningen is bovendien ongedateerd. Gaat men af op de gedateerde, dan ontstaat de indruk dat de mirakels zich in enkele golven hebben voorgedaan, met name in 1667 en 1670. Eén van de door De Jager geregistreerde daden van Maria is de uitdrijving in de zomer van 1667 van een duivel uit een kind, Margje Cornelis uit Reyerskoop (bij Boskoop). Deze bezetene trok door haar onbeheerst gedrag niet minder de aandacht dan Margaretha de Wit tien jaar eerder, zodat het publiek van alle kanten toestroomde. De uitdrijving zelf vond niet in een keer plaats. Eerst werd Margje voor het Mariabeeld in de kerk te Waddinxveen gebracht en daar belezen, maar later begaf De Jager zich persoonlijk naar Reyerskoop om de duivel met wijwater en wierook te bestrijden. Na enkele weken van hevige kwelling begon het kind geleidelijk tot rust te komen en op 20 augustus meldde De Jager dat ze vrijwel genezen was. Van bekeringswonderen (zoals in het geval van O.L. Vrouw van Foy in het nabijgelegen ? Haastrecht) is bij de Waddinxveense Maria geen sprake. Bij verreweg de meeste opgetekende wonderen gaat het om miraculeuze genezingen. Sommige van deze wonderen werden bewerkt door direct contact tussen de zieke en het Waddinxveense Mariabeeld. In andere gevallen vond de genezing op afstand plaats. Het herstel van Hilligje Swijbers van acute blindheid speelde zich af in haar woonhuis ergens aan de Gouwe. De Jager tekent het verhaal naderhand op uit de mond van de moeder, en de enige expliciete verwijzing naar de interventie van Maria is het feit dat de genezing zich op Maria Boodschap (25 maart) 1667 voordeed. Niet alleen uit Waddinxveen zelf, maar ook uit omliggende streken, zoals uit Rozendaal bij Oudewater, van de Tiendeweg in het land van Stein en zelfs uit Polsbroek in de Lopikerwaard werden zieken naar Waddinxveen gebracht. Voortzetting van de cultus De eerste zondag van oktober, het feest van Maria-Rozenkrans, is als voornaamste feestdag onder de rooms-katholieken van Waddinxveen inderdaad lange tijd in zwang gebleven. In overeenstemming met kerkelijke voorschriften heeft pastoor Scheffer aan het eind van de vorige eeuw het beeld van het hoogaltaar afgehaald en in een aparte kapel rechts achterin de kerk laten zetten. Voor het overige vangt men slechts af en toe een glimp op van de lotgevallen van de Waddinxveense Maria. In een artikel uit 1844 meldt kapelaan J. Burgmeyer dat het beeld nog steeds in de kerk bewaard wordt, maar uit zijn bewoordingen kan men niet opmaken of op dat moment de devotie intens is. Aan het eind van de 19e eeuw lijkt dat wel het geval te zijn geweest. Pastoor Scheffer vertelde aan de hagiograaf J. Kronenburg dat bij zijn komst (in 1890) een landbouwer hem het verzoek deed om, als er soms geen lamp voor het Mariabeeld brandde, tot zijn intentie een kaars te ontsteken. Maar dit bleek nooit nodig te zijn omdat zijn parochianen - vanwege wonderbare gebedsverhoringen - er zelf voor zorgden dat altijd een licht brandend werd gehouden. 20e eeuw Op 24 oktober 1916 hielden de Goudse congreganisten met bisschoppelijke goedkeuring een processie naar O.L. Vrouw van Waddinxveen. Twee volle boten met circa 400 pelgrims voeren de Gouwe op in de richting van de St. Victorkerk. Daar werd een plechtige hoogmis gehouden, gevolgd door een processie en een plechtig lof door de deken van Gouda. Vijftig bruidjes waren bij de feestelijkheid aanwezig: zij boden offerkaarsen aan en zongen Marialiederen. Een daarvan was een speciaal lied voor de Waddinxveense Lieve Vrouw, geschreven door kapelaan De Jong. De processie werd in de jaren 1917, 1918 en 1919 herhaald. Volgens het Registrum Memoriale van de parochie St. Victor werden in deze jaren ook weer genezingswonderen aan pastoor Scheffer gemeld. Anno 1996 neemt de Mariadevotie te Waddinxveen slechts een bescheiden plaats in. De bijzondere feestdag (eerste zondag in oktober) wordt niet meer gevierd. Wel wordt in mei en oktober het Marialof nog gehouden. In de kerk zijn devotieprentjes en kerstkaarten met een afbeelding van O.L. Vrouw van Waddinxveen verkrijgbaar. Op verzoek van parochianen wordt af en toe het Marialied van kapelaan De Jong nog gezongen.
|
|
|
|
|
© Sint Victorparochie |
|